Jules Cavaillès (1901-1977) en het poëtisch realisme

Jules Cavailles (1901-1977)
16 maart t/m 4 mei 2002
EN POËTISCH REALISME


SCHILDERSVREUGDE, LEVENSVREUGDE

In veel opzichten heeft de Tweede Wereldoorlog een breuk veroorzaakt. Dit geldt ook voor de beeldende kunst. Talrijke artistieke carrières die op het punt van doorbreken stonden, werden in de kiem gesmoord. Charles Terrasse was in zijn overzicht Die Französische Malerei des XX. Jahrhunderts (Parijs 1939) nog optimistisch gestemd: 'De jonge schilders Legueult, Oudot, Brianchon keren naar de traditie terug. In het algemeen scheppen zij behagen in zachte harmonieën … hen behoort de toekomst'. De bevrijding effende evenwel de weg voor een andere, nieuwe generatie. Het centrum van de avant-garde werd van Parijs naar New York verlegd. Veel schilders van de 'generatie van 1900' belandden op een zijspoor.

De Franse criticus Gisèle d'Assailly publiceerde in 1949 Avec les peintres de la Realité poétique. In dit boek werden acht kunstenaars onder één noemer gebracht: Maurice Brianchon (1899-1979), Christian Caillard (1899-1985), Jules Cavailles (1901-1977), Raymond Legueult (1898-1971), Roger Limouse (1894-1990), Roland Oudot (1897-1981), André Planson (1898-1981) en Kostia (Constantin) Terechkovitch (1902-1978). In dezelfde samenstelling toonden zij hun werk op exposities in het Zwitserse la Tour-de-Peilz (1957), Genève (1972) en Tokio (1977).

De indruk dat het bij de schilders van het Poëtisch Realisme gaat om een hechte herenclub van gelijkgestemden met vergelijkbare theoretische uitgangspunten, doet de waarheid geen recht. Zeker, het betreft leeftijdgenoten die nauwe contacten onderhielden met acteurs, regisseurs, musici en schrijvers. Zij beschikten over kennis van zaken wat betreft de historische ontwikkeling van de schilderkunst en hadden kwaliteit en vakmanschap hoog in het vaandel staan. Op schilderkunstig gebied bestaan er nog meer overeenkomsten tussen deze acht schilders, zoals de bewondering voor Bonnard en Matisse, maar ook voor Vuillard, Manet en Goya.

Van André Planson is de volgende typering: 'Wij zijn geen generatie van strijd. Wij hebben nooit voor uitersten gekozen, maar tussen ons bestaat er een soort bestendigheid, die ons op natuurlijke wijze verbindt.' Een criticus verbaasde zich over de paradijselijke wereld die de schilders van het Poëtisch Realisme op hun doeken verbeeldden: 'In hun onderwerpen en in kleuren hebben zij geweigerd om alles te zien wat schaduw, kwaad, lelijkheid, ziekte en nacht is. Datgene wat in hun ogen kunst moet zijn, geeft uitdrukking aan gezondheid, licht en vreugde.' Roger Bouillot heeft voor deze 'vlucht' een plausibele verklaring gegeven: 'Ik waag te zeggen dat het hun manier was om het monsterlijke conflict van 1914, die noodzakelijkerwijs de beste jaren van hun leven getekend heeft, te vergeten. De schilderkunst beschouwden zij tot op zekere hoogte als ontsnappingsmogelijkheid en als hun manier om tot uitdrukking te brengen: dat nooit weer.'

De gezamenlijke activiteiten van dit achttal zijn weliswaar beperkt gebleven, maar in kleiner verband was er al in een vroeg stadium sprake van onderlinge contacten. Brianchon, Legueult en Oudot studeerden aan de Ecole des Arts Décoratifs in Parijs. Brianchon en Legeuelt deelden een atelier, evenals Cavailles en Limouse. Laatstgenoemden bezochten samen het Louvre om Oude Meesters te kopiëren. Legueult, Oudot, Cavailles en Terechkovitch stelden hun werk in de Galerie de l'Elysée (1939) tentoon. Brianchon, Legueult en Oudot exposeerden in Galerie Louis Carré (1942). Cavailles en Planson ontwierpen tussen 1951 en 1953 decoratieve panelen voor verschillende lijnboten, waaronder de 'Ferdinand de Lesseps'.

Een hoofdwerk van Maurice Brianchon is Femme accoudée aux Seins nus (1954). De kamerjas van de dromerig voor zich uit starende jonge vrouw is opengevallen. Zij leunt met haar elleboog op een tafel, waarop een fruitschaal en een fruitmand, gevuld met druiven, peren en citroenen staan. Op de achtergrond hangt een decoratief patroon met bloemmotieven. Ook in zijn landschappen slaat Brianchon een eigen toon aan. In L'hiver à Truffière (1967) is het desolate, de melancholieke stemming van de late herfst, treffend in beeld gebracht.

De voorwerpen die Jules Cavailles in zijn stillevens vastlegde, zoals vazen van melkglas of aardewerk, muziekdozen, geborduurde kleedjes, meubels uit de Napoleon III-periode evenals de van bloemmotieven voorziene wandbespanning, zijn terug te voeren op herinneringen aan de ouderlijke woning. Over deze zoektocht naar een verloren tijd merkte de schrijver Marcel Zahar op: 'Zijn moeder had onophoudelijk de overhand in het centrum van zijn herinneringen en rondom dát beeld van verering namen alle details uit het huis te Carmaux in de terugblik een heilig karakter aan. Het gevoel, met kracht opgekomen in de loop van de jeugdperiode, blijft zonder verzwakking gehandhaafd en brengt bij Cavailles de wil tot stand om de elementen uit een heerlijk verleden terug te vinden.'

Een ander thema, dat als een rode draad door het oeuvre van Cavailles loopt, is het geopende venster. Cavailles heeft er geen geheim van gemaakt dat Matisse in dit opzicht zijn voorbeeld par excellence was. Deze geniale schilder had de spannende combinatie van interieur en exterieur al in zijn fauvistische periode toegepast. Zoals blijkt uit het schilderij La plage au parasol (omstreeks 1939) is Cavailles erin geslaagd om nieuwe aspecten aan dit onderwerp toe te voegen. Met name het stilleven met vissen en zeevruchten op de voorgrond heeft, dankzij het opnemen van een schepnet als tegenhanger van een parasol, een geslaagde compositie. Het ademt de sfeer van weemoed en zorgeloosheid, van een stil verlangen naar eindeloze vakanties aan de kust.

Voor de Tweede Wereldoorlog wist Roland Oudot zich nog onvoldoende te bevrijden van de directe invloeden die hij onderging. In het geval van Nature morte au moulin à sel (1917) en Nature Morte à la bouteille (1921) is hij volkomen schatplichtig aan Paul Cézanne, terwijl Le Bénédicité (Het gebed voor de maaltijd ) (1929) nog in de trant van Pablo Picasso is geschilderd. Een bezoek in 1964 aan de lagunestad Venetië leverde een imposante reeks stadsgezichten op. Hoewel het de meest afgebeelde stad ter wereld betrof, wist Oudot de vedute nieuw leven in te blazen. Ook in de directe omgeving wist Oudot de sfeer van rust en sereniteit goed te treffen, zoals het schilderij Environs de Chiogga, Malamocco laat zien.

Zinnelijkheid is kenmerkend voor het werk van André Planson. Zijn schoonheidsideaal, de vrouw met een rossig kapsel, een sensuele mond en ronde vormen, keert terug in doeken als Les Cyclistes du Dimanche (1930), Les Canotiers au Bord de la Marne (1931) en in de gouache Le Beau Dimanche van omstreeks 1950. Hij plaatst deze vrouwen in de hem vertrouwde omgeving van zijn geboortestreek en laat hen vergezeld gaan van vissers en roeiers.

Christian Caillard bracht in 1927 voor de eerste keer een bezoek aan Marokko. De kennismaking met de exotische levenswereld bracht hem in vervoering. Net als Eugène Delacroix een eeuw eerder, vond hij hier een rijke bron aan motieven. Ook de nestor van de schilders van het Poëtisch Realisme, de in Algerije geboren Roger Limouse, deed tijdens zijn reizen inspiratie op. Tussen 1935 en 1963 vormde Noord-Afrika (met name Marokko) geregeld het reisdoel. Van 1966 tot 1969 verbleef Limouse op Madagascar. In voorstellingen van marktscènes en stillevens kwam hij tot een vereenvoudiging van vormen en legde hij de nadruk op de intensiteit van kleur. Limouse is de enige van het 'octet' met een eigen museum. Dit bevindt zich in Chester in Engeland.

Een criticus karakteriseerde het oeuvre van Raymond Legueult als volgt: 'Onder de kunstenaars van het Poëtisch Realisme is Legueult de musicus, het meest dichter, het meest bezeten van het onbestemde. Meer dan de anderen is Legueult een dromer. Geen enkele van zijn vrienden houdt zich, zoals hij, voortdurend bezig met de strijd tegen de tijd, waarbij het voltooien van een enkel doek zes of meer maanden kan duren, …' Er is in de landschappen, figuurstudies en stillevens sprake van een verbijsterende dialectiek tussen de improvisatie en compositie, spontaniteit en trage rijping.'

Het palet van Kostia (Constantin) Terechkovitch, de Rus in het gezelschap, straalt ontegenzeglijk van vreugde. Hij verenigt in zijn werk invloeden van de volkskunst uit zijn land van herkomst en van de negentiende-eeuwse Duitse Romantiek (Casper David Friedrich). Door het combineren van deze componenten weet Terechkovitch een feeërieke sfeer te creëren, zoals in het schilderij Coucher de soleil aux Goudes (1954) . Een jonge vrouw en twee meisjes, de echtgenote en dochters van de kunstenaar, zijn aan zee getuige van een spectaculaire zonsondergang. Er is niets dat deze idylle kan verstoren. 

Dick Adelaar.

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

00.31(0)6-51453501

info@galeriequintessens.nl