Dubbelexpositie: Jaap Egmond (1913-1997) en Ossip Zadkine (1890-1967)

Jaap Egmond (1913-1997)
Ossip Zadkine (1890-1967)
6 september t/m 24 oktober 2003


Jaap Egmond, constructivist

Jaap Egmond concentreerde zich na zijn academietijd drie decennia lang op lesgeven en het schrijven van studieboeken die de verbanden in de kunstgeschiedenis op een heldere wijze laten zien. In de jaren zestig begon hij een tweede leven als geometrisch-abstract kunstenaar.


Het werk dat ontstond herinnert aan ‘soortgelijke’ kunst van zijn tijdgenoot Jan Schoonhoven, maar nader beschouwen leert dat beiden een geheel eigen weg bewandelden.

Schoonhoven ging -vanuit een Zerogedachte- vooral intuïtief te werk om beeldend uitdrukking te geven aan de emotie. Egmond ging juist zeer theoretisch te werk. Zijn kunstwerken zijn volgens mathematische wetten en wiskundige formules gegroeid.

Talloze schetsen vol pijlen met berekeningen van hellingshoeken, ritmes en te behalen resultaten gingen vooraf aan de uiteindelijke papier-reliëfs, die zich aan de wand in verschillende ruimte en onder wisselend licht anders gedragen. Een glooiing, een lichtbaan een mooie schaduw of een pad doorbreekt het patroon van ogenschijnlijk gelijksoortige, witte vierkante vlakjes.

Signeren deed Egmond niet of heel summier met een enkele ‘e’. De titels bleven zakelijk, nuchter als de kunstenaar zelf: ‘Doorsneden vierkant’ of ‘Versmelting van twaalf vierzijdige piramiden’ luiden enkele van zijn titels.

PARTITUREN IN WIT

 

Dick Adelaar

In 1913, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, vond in New York de geruchtmakende Armory Show plaats. ‘Pièce de résistance’ op deze tentoonstelling was een zogenaamde ready made in de vorm van een gesigneerd urinoir van Marcel Duchamp. Elders in deze metropool werd op 31 augustus van dat jaar, als kind van Nederlandse ouders, Jaap Egmond geboren. De jongen groeide op in een cultureel milieu en gaf er al vroeg blijk van artistieke aanleg te hebben.

De keuze voor één kunstvorm viel dit multitalent zwaar. Vandaar dat hij zich later niet alleen inschreef als leerling aan het Rijksinstituut tot opleiding van tekenleraren in het Amsterdamse Rijksmuseum, maar ook het Conservatorium in de hoofdstad bezocht om zich als pianist te bekwamen. De op beide instituten opgedane kennis bracht Jaap Egmond vervolgens in de praktijk als docent culturele vorming, tekenen en kunstbeschouwing en als begeleider op piano van het Hollands Vocaal Kwartet. Later ging hij zich, aanvankelijk als hobby maar al spoedig op professionele basis, toeleggen op het zelf vervaardigen van beeldende kunst. Daarnaast was Egmond tevens als dichter werkzaam. Ook in deze discipline wist hij met weinig middelen een grootse visie uit te drukken.

De Gemeente Amstelveen bood hem een atelier aan en hij werd regelmatig in de gelegenheid gesteld om met zijn werk naar buiten te treden. In het begin exposeerde hij uitsluitend in kleine galeries in de Amsterdamse Jordaan, maar de erkenning kwam snel. In 1974 was er een overzicht te zien in het Van Reekum Museum in Apeldoorn. Jaap Egmond maakte zogenaamde systematische reliëfs, eerst uitgevoerd in plexiglas, vervolgens in papiermaché en tenslotte in staal. De kunstenaar had een gedegen kennis van de kunstgeschiedenis, waarbij zijn voorkeur uitging naar de non-figuratieven. Malevitsj, Mondriaan, Arp, Gabo en Vasarely behoorden tot zijn favorieten. Nederlandse critici legden de nadruk op de overeenkomsten met de abstracte constructies van de Zero-kunstenaar Jan Schoonhoven. Jaap Egmond was van mening dat deze vergelijking niet terecht was en voortkwam uit een vluchtige beschouwing. De ontstaanswijze was inderdaad heel verschillend. Uitgangspunt voor Schoonhoven was de intuïtie. Aan Egmonds ordeningsprincipes lagen daarentegen uitgebreide mathematische formules en berekeningen ten grondslag. Maar het uiteindelijke eindresultaat vertoont gelijkenis.

Opvallend is dat beiden er geen moeite mee hadden, dat toekomstige eigenaren zelf de kwast te hand zouden nemen om het verkleurde of stoffige reliëf van een laag nieuwe witte verf te voorzien. Zo heeft de schrijver K. Schippers altijd een pot in voorraad om zijn Schoonhovens er weer als nieuw uit te laten zien.De journalist Maarten Beks heeft de plaatsbepaling van Egmond in het landschap van de Nederlandse objectkunst uitstekend weten te verwoorden.

Hij plaatste Egmond in het midden tussen Schoonhoven en Peter Struyken: “Egmond is in zoverre halverwege deze twee beroemde puriteinen te situeren, dat hij met Schoonhoven de liefde voor het maken het handwerkelijke en de schone monotonie gemeen heeft en met Struyken de neiging om zijn esthetische beslissingen afhankelijk te stellen van onpersoonlijke wiskundige wetmatigheden.”

In de laatste jaren van zijn artistieke loopbaan liet Jaap Egmond kleur in zijn werk toe. Er ontstonden talloze schilderijen en ook ontving hij opdrachten voor monumentale muurschilderingen. Verstild werk dat veel gemeen heeft met de geconstrueerde schoonheid van de cantaten van J.S. Bach en de contemplatieve Zen-tuinen in Japan.

Jaap Egmond overleed in 1997.

licht
zon schittert over eindeloos kabbelende zee
het licht breekt duizend maal stuk
altijd eender
altijd anders

Ossip Zadkine

 

Bronzen beelden

Driedimensionaal werk dat eigenlijk geen beeldhouwwerk is, staat centraal op de expositie van Zadkine-beelden waarmee galerie Quintessens het nieuwe seizoen begint. Na een moeilijke beginperiode, waarin Ossip Zadkine onvoldoende geld had om zijn werk in brons te laten gieten en noodgedwongen in steen of hout hakte (enkele terracotta-beelden niet meegerekend), brak rond 1930 de tijd aan dat het hem financieel beter ging.

In de jaren twintig had Zadkine’s drie-en tweedimensionale oeuvre een snelle ontwikkeling doorgemaakt. Tijdschriften in binnen- en buitenland wijdden artikelen aan hem.

Voor het eerst werd zijn kunst met een zekere regelmaat in Parijs, en in het buitenland geëxposeerd. Zo organiseerde in 1923 de Utrechtse kunsthandel Gerbrands, destijds gevestigd in de Brigittenstraat, op een steenworp afstand van de Nieuwegracht waar nu, zeventig jaar later bronzen Zadkine-beelden worden geëxposeerd, zijn eerste kleine expositie in Nederland.

Mede dankzij het succes dat Ossip Zadkine en zijn vrouw, de schilderes Valentine Prax (1897-1981), in België en Nederland genoten, kon dit paar gaan uitkijken naar een eigen atelier-woning in Parijs. Hun ’lustoord’ vonden ze in 1928, achter de rue d’Assas, tussen Jardin du Luxembourg en Montparnasse. Dit witte huis zou na de dood van Valentine Prax door de stad Parijs ingericht worden als Zadkine-museum.

De beweeglijke, lyrische beelden die rond 1930 ontstonden, waren ver verwijderd van de streng geometrische sculpturen van rond 1920. Voor zijn nieuwe beelden in brons hanteerde Zadkine een geheel andere werkwijze. Op een geraamte van ijzerdraad bracht hij gips aan, dat vervolgens zorgvuldig werd bewerkt. Steeds ingewikkelder werden deze constructies, die na de Tweede Wereldoorlog zelfs een barok karakter kregen. Niet langer nam de beeldhouwer iets van de hoofdvorm af door te hakken of te snijden, daarentegen voegde hij vormen aan de kern toe: armen, benen, een paar takken of een muziekinstrument. Want musici en ook harlekijns bleef Zadkine tot ver in de jaren vijftig weergeven.

Voor het eerst kon hij ‘in serie’ bronzen beelden maken, hoewel het aantal gietsels van een beeld meestal tot twee of drie exemplaren beperkt bleef. Rond 1960 liet Zadkine de gesloten vorm helemaal los en maakte hij verschillende opengewerkte beelden. In Nederland kreeg zo’n beeld in het voorjaar van 1968, enkele maanden na Zadkine’s dood, een plaats tegen de gevel van het hoofdkantoor van de Nederlandse Bank.

Een kleine variant van ‘La demeure’, zoals dit metershoge beeld aan het Amsterdamse Frederiksplein heet, is te zien op de gevarieerde Zadkine- expositie in Utrecht. Hier staat het tussen bronzen beelden uit de late jaren twintig, dertig, veertig en vijftig.

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

00.31(0)6-51453501

info@galeriequintessens.nl