Ellie Hahn beelden in brons en steen & Arie Schippers

DUBBELTENTOONSTELLING ELLIE HAHN EN ARIE SCHIPPERS

ELLIE HAHN (1950)
Beelden in brons en steen

ARIE SCHIPPERS (1952)
Reisimpressies in olieverf


 

30 november 2005 t/m 28 januari 2006

woensdag t/m zaterdag 12-17 uur



ELLIE HAHN
Door Peter ter Veer

 

Aan één kant van de lommerrijke Utrechtse Maliebaan staat een twintigtal beelden van vrouwelijke beeldhouwers. Een ervan is van Ellie Hahn (1950). Het betreft een uit graniet (Neu Grün) gehakte naakte vrouwenfiguur, getiteld ‘Desirée’, die een grote rechthoekige lap voor zich omhooghoudt waar zij net overheen kijkt. De beeldhouwer Arie Teeuwisse zag er, nogal prozaïsch misschien, een vrouw in die de was ophangt. Ellie Hahn houdt er niet van haar beelden te duiden. Eenieder mag er in zien wat hij of zij wil. Als een mooi gedicht of muziekstuk kan een beeld, zo is haar overtuiging, de beschouwer in een andere wereld zetten, hem meevoeren naar een andere dimensie waar voor eigen gedachten geen plaats is. Kunst hoeft voor haar niet te chocqueren, dat doet het dagelijks leven al. Aan kunst wil zij zich kunnen laven, en al kijkende wil zij zich realiseren dat er nog heel andere werelden zijn. De kunst is voor haar als een brug naar een andere dimensie. Dat is ook precies waarom zij altijd hoopt dat mensen vooral een prettige ervaring hebben wanneer ze naar haar beelden kijken. Als zij al een boodschap heeft, dan is dát de hare.

 

Ellie Hahn 'Aurora' hardsteen, L. 75 cm.

 

Ellie Hahn volgde haar opleiding aan het Utrechtse Artibus bij Jan van Luijn en ging vervolgens op diens aanraden naar de Amsterdamse Rijksakademie. Toen zij deze, met de gouden Prix de Rome op zak, in 1977 verliet, bedankte zij haar leermeester Piet Esser voor de lessen die zij jarenlang bij hem volgde. ‘Ik hoop dat je mooie beelden gaat maken’, sprak deze, en na een korte stilte, ‘…. ik denk het wel’. Sindsdien werkt Hahn in alle rust in haar atelier aan een gestaag groeiend oeuvre dat voornamelijk uit vrouwenfiguren bestaat. Zij komt ze zomaar, tegen op straat of ze poseerden tijdens de lessen die zij aan haar studenten geeft. De beelden heten naar de vrouwen die ervoor poseerden, maar regelmatig zoekt Hahn de uitdaging in het verbeelden van een abstract begrip of idee. Zo maakte ze ‘Vier jaargetijden’, ‘Ochtend’, ‘Aurora’, ‘Ontmoeting’ enzovoort. Zo’n begrip, een dergelijke abstractie geeft het kader waarbinnen Hahn tot een oplossing moet zien te komen: welke figuur, in welke pose doet het begrip het meeste recht? Voor ‘Zomer’ zou men kunnen denken aan iets uitbundigs, maar zo zit Ellie Hahn niet in elkaar. Voor haar is het grote gebaar oppervlakte. Niet het luidruchtige, het ostentatieve, maar juist de subtiele en poëtische verstilling streeft zij na. Niet de trompet, maar de hobo. Het is deze subtiliteit waarmee zij ook de psychologische verhouding vormgeeft tussen twee of meerdere figuren. Ook hier is het de lichte neiging, het kleine gebaar dat boekdelen spreekt.

 

Ellie Hahn 'Ochtend' 2003 brons 3/8, hoogte 75 cm.

 

Van Esser leerde zij door de vorm heen te kijken, er de onderliggende verbanden in te zien, de volumes, de plans, de bewegingen te onderkennen die de vorm bepalen en naar zijn expressie, samenhang en eenheid verschaffen. Het leidde bij Hahn tot een uitstekend ontwikkeld gevoel voor de abstracties die elk goed beeld uiteindelijk bepalen. En het werd, en is nog steeds, de grootste taak die zij zich in haar werk stelt: dicht bij de natuur te blijven maar het onderwerp abstract te benaderen. In die zin bestaat er voor Hahn dan ook geen onderscheid tussen figuratief en abstract. Haar beelden - voornamelijk in brons, uit steen gehakt en soms van steengoedkeramiek – trekken op een onnadrukkelijke wijze de aandacht. Door ze te bekijken betreedt de beschouwer een wereld waarin aandacht, concentratie, stilte en schoonheid realiteiten zijn. Wanneer de toeschouwer zijn (voor)oordelen achterwege laat, de beelden een tweede blik gunt en niet ogenblikkelijk aan het interpreteren slaat, wanneer hij goed kijkt en voelt wat het beeld hem te zeggen heeft, dan krijgt Hahn’s werk de kans voor zichzelf te spreken en te ontroeren.

Dessau I en II, 1999


ACTIVIDADES

Door Arie Schippers

 

I “Door een typisch Spaans getralied venster kijk ik omhoog naar de Sierra. Wolken razen voorbij. Het kan hier zo waaien dat de auto’s van de weg raken. Ik kijk vaak door dit venster. Ik moet weten waar ik aan toe ben. Vroeger dacht ik Bonnard, Bacon, Goya, El Greco enzo. Ooit vond ik Morandi, de Kooning, van Dongen, Beckmann. En toen ik 16 jaar was Dalí, Degas, Signac, Jongkind. En nu (Frans Hals, Massaccio, Velásquez, Rothko) denk ik: ja het is allemaal geweldig, maar dit raam, de Sierra, een half kopje koffie en twee vliegen op mijn knie. Alle eerbied, cultuur, vrienden, kunstminnenden de deur uit. Terra Incognito. Niets alleen boertjes en ezels. En Andrès van 83, die altijd wat voor de hond heeft. Hij vindt alles geweldig wat ik doe. Intussen zitten de vliegen op het driekwart lege kopje. Balthus en Picasso en Dalí tegenwoordig weer, het blijft bij je, hoe ver je het ook weg probeert te zetten.

 

'De weg I' uit de serie 'Montecorto', 1998

 

 II Zaterdagmiddag loop ik omhoog naar mijn auto. Iedereen (5 x) die ik tegen ’t lijf loop wil weten wat ik ga doen. Ik rijd zo’n 200 meter het dorp uit en parkeer op een plek waar ik al zes schilderijen gemaakt heb. Het weer is anders, door de jaargetijden. Het is altijd anders, want ik zie telkens wat anders. Toch moet ik even zin krijgen. Na een half uur trutten, zet ik toch een streepje en dan moet je wel. Ongeveer halverwege komt Andrès met een kruiwagen hout voorbij. Hij is dol op mijn hond en houdt hem aan de praat, terwijl ik gewoon doorga. Vroeger ging ik netjes opbouwen, een procédé van het reine vernuft. Maar tegenwoordig begin ik al gauw te smeren, te jagen, dingen te doen die overmoedig en ziek lijken. ’t Komt altijd terecht. Tenzij het mislukt. Door de verrekijker lijkt het wel wat, maar daar kun je ook niet van op aan. Terug het dorp in is het (5 x): ‘waar kom je vandaan, wat heb je gedaan?’

 

'De weg II' uit de serie 'Montecorto', 1998

 

 III Verf gebruiken is heel fijn. Vieze kwasten is het ergste dat er is. Ik heb 18 keer el mulo geschilderd. Als ik in Nederland een paard wil, dan moet ik de stad uitrijden (30 minuten). Geluk hebben om te kunnen parkeren bij een wei die niet te groot is, want op de horizon is te klein, en er moet minstens één paard staan. Het moet niet grijs zijn, het weer. De achtergrond is ook belangrijk. Maar een muildier is ver te zoeken, ik vraag me af of ze er wel zijn in Nederland. El mulo is het fijnste dier dat er is. Mooi als een paard en onschuldig als een ezel. Altijd braaf met zijn grote oren aan de gang.

De natuur en zo’n mulo nodigen uit tot andere verfstreken dan een BMW op wat ontwikkeld land dat recht en schoon is. Niet dat ik het niet nauw neem met de natuur, maar aangezien de natuur zo ongelofelijk mooi en delicaat en ingewikkeld is, kan ik haar slechts naar aard en aanleg, en niet naar de letter volgen. Bossen gras worden (on)eerbiedig vertaald in een grijze veeg met gele streepjes erover. En een mulo moet natuurlijk zoals een BMW wel vier poten hebben die precies goed staan en uitdrukken dat daar behoorlijk veel gewicht op rust. De tussenruimtes van de poten hebben veel gemeen met wat er onder de autobuik gebeurt.

IV Een foto is altijd waar. Gerechtigheid, dat zie je. Niets kan anders, zo hoort het. Een schilderij, figuratief dan, is een opeenstapeling van fouten, zielige meningen en goede bedoelingen. Ik droom van kleurcombinaties. Ik doe dingen die ik niet wil en toch goed uitpakken. Ik ben uit dit bestaan als ik werk. Daarom.

V Bij een inbraak vinden ze ook wel eens een drol. De dader had het genoegen om veel rotzooi te maken, inbreuk op privacy te doen, te stelen en ook nog op de deftigste stoel te schijten. Dit lijkt erg op schilderen; een compositie moet slecht stinken!

VI Groene pap. De zomer. Niets mee te doen; die volle bomen, dat wollige struikgewas en het fantasieloze gras. Bijna niet uit elkaar te schilderen en zeker niet op grijze dagen. Harde zaken zoals reclameborden en andere cultuur, dat is contrastrijk en bruikbaar. Intussen zit ik hier op 1.000 meter hoogte op de flank van een vrolijke groene homp. Te wachten. Tot me te binnen schiet hoe ik hier nog iets uit weet te halen.

VII Plastic kassen zover als de horizon rijkt. Agricultuur als Realpolitik. Daartussenin op een camping onder de palmen zit ik. Deze camping is de mooiste die ik ooit gezien heb. Ik kan dit niet schilderen hoewel ik daarom hier ben neergestreken. Het is te ingewikkeld, te druk, maar het is zo mooi! (Mooie zaken kan ik tegenwoordig ook schilderen, maar je kunt beter iets ontmaagden waar nog niemand aangezeten heeft of iets dat je in ieder geval koud laat.) La Curva, 100 vierkante kilometer van de lieve aarde bedekt met plastic. Om tuinbonen, paprika’s en tomaten op te geilen. Leuke steegjes slingeren er doorheen. Elk plekje dat over is, wordt gebruikt om afval op te rotten. Containers van gif en fertilizer, folie, touw, ijzerdraad, kratten, plantenresten. Een grote zooi.

 

Zoekend naar iets dat toch te mooi voor woorden is en dus uitgebeeld dient te worden, vind ik een vierkantje water tussen de kassen. Met daaromheen riet, met daaromheen een hek en met daaromheen borden: Reserva Natural. Ik neem de verrekijker en zie warempel witkopeenden. Nu ben ik waar ik heen wou: de verrekijker. Ik kan niet meer zonder. In het schilderen en vooral het veldwerk is het heel moeilijk afstand te nemen van eigen werk. Door de ene kant kijk je naar je werk en door de andere kant bevredig je de nieuwsgier. Leuk meegenomen is, dat ik gelijk een zwartkopmeeuw en een Jan van Gent zie. Want La Curva ligt zoals de meeste plasticgebieden aan de kust.

 

Na enkele dagen klooien tussen het plastic en lanterfanten op het campingterrein raak ik geboeid door een lieve rooie Toyota Celica. Tussen de middag komt ie altijd in de schaduw staan, vlakbij. Fijn, glad, soepel rood, met glimmers tussen de relaxte groene bladeren. Slimme koplampoogjes kijken naar paarse bloemenhaag. Ik weet het niet. Vaak is het te outlandish, te toeristen-snapshotterig, te pittoresk van het goede leven, te sixties, te veel parallelle horizontalen, te veel van wat ik al vaker gedaan heb, te kleine elementen voor een leuke opbouw, enzovoorts, enzovoorts. Te laat om nog iets te doen, besluit ik toch nog maar even die snelle Celica te schilderen. En uit een soort koppigheid op groot formaat. De zon staat recht achter me. Ik zie niet wat ik doe: de verf reflecteert en er verschijnen licht- en schaduwvlekken op mijn gedoe. Ik kom er niet uit met die auto en moet herhaaldelijk de spiegel pakken. (de spiegel is net zoiets als de verrekijker, hij geeft afstand en heeft een vervreemdend effect). Veel geknoei, maar - no sweat - gewoon doorgaan. Dan komt die jongen in zijn goedkope sportpakkie zo van opzij mijn beeld inlopen en….. ja hoor, hij gaat weg met zijn rooie peniskoker. Ik ben nog lang niet klaar, maar probeer er het beste van te maken. De zon is al weg als ik te stoppen ben en alles een beetje vies is geworden. Ik schuif het natte doek onder mijn auto en maak mijn palet schoon. De kwasten komen morgen wel.

 

VIII Ik heb het over veldwerk. Dat is wat anders, dan wanneer je in het atelier werkt, dat wil zeggen uit de geest, en je niet telkens door de dwingende realiteit bijna omvergeblazen wordt. In het atelier ontstaan dingen die vrij zijn, vrij van het triviale natuurgedoe. Dat levert veel goeds op dat niet direct de strijd uitdrukt tussen indrukken en vormgeving. Alles dat in het atelier ontstaat is gefilterd door de beperkingen van het geheugen, en uitgerekt door de vrijheid van de geest. Die rare kwetsbaarheid is gewoon een andere realiteit. Die vaak veel coherenter is dan wat naar de natuur geschilderd is.

IX Ik zit in de auto met de ramen dicht en heb survivalondergoed aan. Daarover een broek en een groen thermokruippak van het leger. Boven op een muts. De mist komt en gaat. Mist is het mooiste wat er is. Dus ik wacht, tot het me aan het werk zet. Maar nee. Een dik uur mist maar niet hier. Erheen rijden is zinloos, want dan ontstaat hier mist, en daar is het dan spontaan verdwenen. Goeie mistschilderijen zijn er haast niet. Geef mij nog twee weken mist.

X O ja, nou weet ik het weer. Een mulo beweegt. Dat wil zeggen, hij verandert van vorm en van silhouet, van schaduw, kleur, glimmers en van….. Bijvoorbeeld als zijn nek omlaag gaat, spant zijn rug en trekt z’n buik in. Als hij één stap doet dan kantelt het bekken de andere kant op. De poot waar het meeste gewicht in zit op dát moment ziet er uit als een stalen veer. Maar goed, hij loopt verder, kijkt de andere kant op. Voor je een deugdelijke tekening hebt is zo’n beest al in 300 andere herkenbare standen geweest. Veel standen ertussenin zijn namelijk niks. Toch doe ik het niet uit mijn hoofd. Wel moet je ervaring hebben en erover weten. En op de een of andere manier word je een mulo. Op de een of andere manier word je nooit een BMW. Omdat je hem niet achterna zit en je slaat niet toe op één moment. Ik kan beter in een paard dan in een BMW kruipen. En het is ook gezonder.”

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

00.31(0)6-51453501

info@galeriequintessens.nl