Marius van Beek: Beelden en tekeningen

MARIUS VAN BEEK (1921-2003)
25 mei tot en met 1 juli 2005
beelden en tekeningen

Pleidooi voor een menswaardig bestaan

Aanvankelijk was de in 1921 te Utrecht geboren Marius van Beek voorbestemd voor een artistieke carrière. Hij maakte al op jonge leeftijd beeldjes maar voorlopig liep alles anders. Zijn vader bezat in het oude centrum van de Domstad een kruidenierswinkel. In 1939 stierf hij op 52 jarige leeftijd en Marius van Beek moest als oudste zoon de zaak voortzetten en de kost verdienen voor het grote gezin. Het lukte hem niet en na een stage in Oss werd hij tenslotte vertegenwoordiger in vleeswaren. Hij werd gestationeerd in Nijmegen waar hij zich meteen thuis voelde. Hij leerde er ‘musisch gerichte mensen kennen’, zoals hij het omschreef. ’Mensen uit de kringen van toneel, literatuur en beeldende kunsten.’ En, vervolgde hij: ‘Ik kreeg ook een buitenrayon toegewezen.... Daar zaten heel veel pottenbakkers en schilders bij wie ik, op mijn fiets, dikwijls ging buurten. Ik haalde klei, ze gaven me wat les en wat ik produceerde, bakten ze dan voor me. Ik begon ook te boetseren, met heel gebrekkig gereedschap.’

De grote ommekeer in zijn leven kwam tijdens de oorlogsjaren. In Nijmegen was hij getuige van de deportatie van een grote groep joden. Als reactie hierop sloot hij zich aan bij het verzet en hij werd door het Polizei-standesgericht bij verstek ter dood veroordeeld. Door onder te duiken bleef hij uit de handen van de bezetter. Hij werd enige tijd ondergebracht bij de beeldhouwer Pieter d’Hont in Utrecht. Over deze ‘tweede Utrechtse periode’ zei hij later: ‘Daar ben ik echt helemaal als beeldhouwer gaan werken. En ook daar moest ik hem weer smeren en toen ben ik tenslotte in Amsterdam terecht gekomen.’

Na de bevrijding werd Van Beek redacteur bij het katholieke dagblad ’De Tijd’. Hij moest zijn gezin onderhouden, maar omdat hij ‘bezeten van het vak’ was, volgde hij lessen beeldhouwkunst aan de Rijksacademie in Amsterdam. Twee-en-een half jaar lang draaide hij op de redactie uitsluitend nachtdiensten. Over deze tijd zei hij: ‘dat was natuurlijk moordend.’ Na de academie kreeg hij van zijn krant de kans om over beeldende kunst te schrijven. Een van de eerste belangrijke beeldhouwwerken ontstond in 1951. Dit bijna twee meter hoge beeld in rood zandsteen, getiteld ‘Zittende Madonna’, werd echter geweigerd vanwege een hoogoplopend conflict tussen de Gemeente Amsterdam en woningbouwvereniging ‘Het Oosten’.

 

Van Beek liet zich door deze tegenslag niet uit het veld slaan en werkte gestaag verder. In 1954 werd vlakbij de Waalbrug in Nijmegen met veel militair vertoon zijn Jan van Hoof-bevrijdingsmonument onthuld: een beeld dat voor de toen 33-jarige kunstenaar de grote doorbraak betekende. Een man met een gescheurde vlag in de hand symboliseert het verzet tegen de Duitsers. Op het moment van onthulling was de bronzen versie nog niet klaar. Om de ceremonie toch doorgang te kunnen laten vinden, werd tijdelijk een met bronsverf beschilderd gipsmodel op de sokkel gezet. Niemand wist hier iets van, totdat de kunstenaar veel later in het dagblad De Gelderlander de gang van zaken opbiechtte.

 

In 1959 verhuisde Marius van Beek vanuit zijn atelierwoning in de Amsterdamse Zomerdijkstraat naar het Gelderse Oosterbeek waar hij de beschikking kreeg over een groot atelier. Het ging hem in deze jaren als klassiek, figuratief beeldhouwer voor de wind. Hij werkte met traditionele materialen als klei, brons en steen. Dankzij zijn katholieke achtergrond had hij ideeën voor bijbelse onderwerpen te over (‘Samson en de Leeuw’, 1956 en ‘Tobias en de Engel’, 1962), maar ook mythologische thema’s nemen een belangrijke plaats in zijn rijkgeschakeerde oeuvre in (‘Icarus’, 1965 en ‘Europa’ laat zich niet ontvoeren’, 1979). In 1964 maakte hij, in het kader van het laatste openluchtspel van het Utrechtse Studenten Corps, een standbeeld van de 15de eeuwse Franse dichter François Villon. Dit eerbetoon in brons bevindt zich Achter de Dom, bijna tegen de achtergevel van de oude Kapittelzaal van de Universiteit. Kenmerkend voor veel beelden van Marius van Beek is de beweeglijkheid van de figuren. Ze vallen, vliegen, zweven, lopen of klimmen. In deze lijn past ‘Icarus, opstijgend en neerstortend’, gemaakt voor een H.T.S in Arnhem, evenals het kunstwerk ‘De Klimpaal’ (1969), dat hij in opdracht van een school in Etten maakte. Marius van Beek gaf een klimmend kind weer. Deze activiteit symboliseert het plezier tijdens het spel, maar dient tevens als metafoor voor het doorlopen van de school.

 

François Villon

Foto: Ruben de Heer

 

In 1963 reisde hij naar Egypte en de Soedan, waar hij in artikelen en een film de bouwkunst vastlegde die door de bouw van de Aswandam verplaatst moesten worden of onder water zouden komen te staan. Ook reisde hij begin jaren zestig naar Mali, Peru, Mexico, Guatamala en Turkije, ‘expedities’ waarvan de weerslag aanwijsbaar is in werken als ‘Poort van Afrika’ en de Zonnetempels. In 1967 werd Van Beek zowel docent aan de School voor de Journalistiek in Utrecht en docent aan de Koninklijke Akademie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch. Over het lesgeven op de kunstacademie zei hij ondermeer: ‘Ik heb altijd heel sterk de nadruk gellegd op de beoefening van het vak. Ik ben daar ook begonnen met steenhouwen en heb er ook een bronsgieterij van de grond gekregen.’ Dat échte beeldhouwen had bezoeken aan steengroeven tot gevolg. Marius van Beek gebruikte de vormen en breukvlakken van steen voor beelden als ‘Eruptie’, een beeldhouwwerk van dolomiet en gepolijst graniet dat in 1987 geplaatst werd in Zwolle. De mogelijkheden van nieuwe, eigentijdse materialen verkende Van Beek in ‘Doel van Santiago de Chile’ (1974). Hij verwerkte hierin ondermeer polyester, was, ijzer en hout. Deze aanklacht tegen de misstanden van het dictatoriale Zuid-Amerikaanse regime, in de vorm van gehangenen aan de dwarslat van een voetbaldoel, werd achtereenvolgens in het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Bonnefantenmuseum in Maastricht, het Cultureel Centrum in Venlo en het Gemeentemuseum in Arnhem tentoongesteld. Een poging om dit werkstuk ook tijdens het Wereldkampioenschap voetbal in München te laten zien, liep spaak doordat officiële instanties niet bereid waren om medewerking te verlenen. Als vervolg op het Jan van Hoofmonument in Nijmegen kan het ‘Bezinningsmonument Nieuwendam’ worden beschouwd, dat in 1983 geplaatst werd in Amsterdam-Noord. Het is een bronzen beeld van een zittende, peinzende vrouwenfiguur met daarachter vier monolieten van graniet. Op drie ervan is een vrouwenfiguur weergegeven. Op de resterende monoliet staat een handgeschreven tekst, een korte passage uit een afscheidsbrief van verzetsstrijder Krijn Breur, die toekomsige generaties oproept te blijven denken aan de gebrachte offers en idealen te blijven koesteren.

 

In de laatste fase van zijn leven zei Marius van Beek de figuratie vaarwel. De nieuwe, abstracte beelden ‘Glasvretend albast’ (1990) en ‘Licht in steen’ (1991) maken optimaal gebruik van de eigenschappen van het materiaal. Of om met Marius van Beek te spreken, die in 2003, kort voor het voltooien van het werk ‘Afscheid’ overleed: “Ik houd van vormen, die door de natuur gestreeld zijn in beken, watervallen, of in Afrika zelfs door de wind bepaald. Het is een plastische vorm, die je na wilt voelen. Het is ook prachtig om te zien hoe keien aan het strand ronden worden door de branding. De absolute schoonheid van de natuur als tegenwicht van de gruwelijkheden die de mensen elkaar aandoen.”

 

 

Dick Adelaar

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

00.31(0)6-51453501

info@galeriequintessens.nl