Eretentoonstelling ‘Joop Hekman 85 jaar’

ERETENTOONSTELLING ‘JOOP HEKMAN 85 JAAR’


Op 24 maart 2006 wordt de Utrechtse beeldhouwer Joop Hekman 85 jaar. Het lijkt bijna niet waar maar eveneens op 24 maart vierden Charley Toorop, Gijs Jacobs van den Hof en Johannes Wienecke hun verjaardag. De laatste ontdekte Hekman’s talent, leerde hem munten en penningen maken en stuurde hem naar de Academie Kunstoefening in Arnhem (1938-1942). Hier was de beeldhouwer Jacobs van den Hof verantwoordelijk voor de opleiding van Hekman. Wienecke en Jacobs van den Hof beschouwt Hekman als zijn belangrijkste leermeesters.

Charley Toorop woonde enige tijd in Utrecht, ‘om de hoek’ van het gezin Hekman. Zij gaf de jonge Joop Hekman nog voor zijn academietijd aanwijzingen. Toorop was bevriend met Gerrit Rietveld, die Hekman later geregeld ontmoette in de trein naar Arnhem. Zij kenden elkaar uit Utrecht, want toen Joop Hekman een jaar werd, gaven zijn ouders een houten kruiwagen cadeau die Rietveld speciaal voor hem maakte. De bekende de De Stijl-architect reisde destijds dikwijls naar Arnhem omdat hij in Sonsbeek enkele opdrachten uitvoerde. Hij zou Hekman in het bevrijdingsjaar 1945 zijn eerste opdracht geven: twee beelden voor een door Rietveld verbouwde bioscoop aan het Utrechtse Vredenburg. Via Rietveld leerde Hekman verschillende verzamelaars en opdrachtgevers kennen. Zo kreeg hij van Sybold van Ravesteijn een opdracht voor het station in Rheden.

 

‘Tja, en toen begon het zo’n beetje te rollen. Sindsdien heb ik geen jaar zonder opdrachten gezeten’, zegt Hekman zelf over zijn arbeidzame leven. Naast beelden, beeldengroepen en beeldreliëfs in brons of steen, gebakken klei of hout, maakte hij reliëfs en mozaïeken in keramiek en baksteen. Kenmerkend is dat hij zijn monumentale beelden in een speciale architectonische context plaatste, die hij veelal zelf ontwierp. Daarbij speelde hij met de verschillen in materiaal, textuur en vorm. Water gebruikten hij als vorm- en klankmiddel. Daarnaast ontwierp Hekman sinds 1937 tal van penningen en munten.

 

 'Joop Hekman in zijn atelier',

Foto Werry Crone/Galerie Quintessens

 

Kort na de Tweede Wereldoorlog organiseerde het Utrechtse genootschap Kunstliefde een groepstentoonstelling van vier veelbelovende, jonge beeldhouwers: Pieter d’Hont, Loeki Metz, Jan van Luijn en Joop Hekman. Dit viertal werd gevraagd om ter gelegenheid van het 50-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina ieder een (gipsen) beeld te maken voor een fontein nabij de Utrechtse Smakkelaarsbrug. 

In 1949 kwam Hekman als winnaar uit de strijd om een fontein in het park voor de Utrechtse Schouwburg te ontwerpen. De gemeente had graag gezien, dat er onder de zeemeermin een bassin zou worden opgenomen. Hekman voelde hier niet veel voor. Hij vond dat er al genoeg water door de nabijgelegen singel stroomde. In 1953 was de beeldengroep nog steeds niet gerealiseerd. De gemeente gaf hem 300 gulden om de beroemde fonteinen in Rome te bestuderen. Per auto reisde het echtpaar naar Rome. In de enige Nederlandse auto die ze onderweg tegenkwamen zaten de dichter Jan Engelman en de arts-schilder Hendrik Wiegersma. Hoewel de opbouw van de fontein niet wezenlijk veranderde, werd Hekman door zijn verblijf in Rome op nieuwe ideeën gebracht. In 1956 kreeg hij officieel de opdracht tot het maken van de grote fontein. De onthulling van de monumentale beeldengroep (met spuiters uit de vloer) vond tenslotte in 1959 plaats.

 

Beeldengroep van Joop Hekman

voor de Utrechtse Stadsschouwburg (1959)

Foto galerie Quintessens 

 

Het belangrijkste werk van Hekman bevindt zich echter niet in zijn geboortestad Utrecht. Tussen 1981 en 1983 realiseerde hij op het plein voor het stadhuis in Enschede een fontein met een viertal beelden. Zij stellen een vader, moeder, kind en hun hond voor. Enerzijds valt het speelse karakter van deze groep op. Anderzijds wordt, zoals vaker in Hekman’s werk, de intimiteit van het gezin benadrukt. Uiteindelijk kreeg een tweede gietsel van de hond Biru, Hekman’s chow-chow, een definitieve plaats in een plantsoen aan het eind van de Utrechtse Nieuwegracht, niet ver van Galerie Quintessens waar dit voorjaar temidden van veel kleinplastiek ook een model van de chow-chow zal worden geëxposeerd.

Naast beelden van Joop Hekman toont Galerie Quintessens op diens eretentoonstelling werk van vier van zijn vrienden. Deze Utrechtse kunstenaars zijn de keramist Gert de Rijk en de schilders Henk en Anco van der Haar en Busse Weidema. Hekman verheugt zich op hun deelname: ‘Ik ken ze al lang. Ooit was ik Rijksgecommitteerde op de plaatselijke academie en heb hen nog examens afgenomen. We hebben altijd contact gehouden. Drie van hen, samen met de graficus Gerard van Rooy, zitten in ‘Z4’, wat voor ‘de vier zwammen’ staat. Die naam verwijst naar de Utrechtse pottenbakkerij ‘De Vier Paddestoelen.’ Gert de Rijk maakt al ruim veertig jaar bijzondere keramiek. Henk en Anco schilderen prachtig. Busse Weidema ken ik het langst van allemaal. Hij is zolang ik mij kan herinneren de beste vriend van mijn zoon.’ Terwijl Hekman op een schilderij wijst, zegt hij: ’Dat is van Busse. Het water in de Kromme Rijn. Zie je die takjes op de bodem liggen en die blauwe zweem over alles. Hoe fantastisch is dat geschilderd!’

J. M.

 

Kleinplastiek en nog veel meer


Ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de Utrechtse beeldhouwer Joop Hekman organiseert Galerie Quintessens een tentoonstelling van diens kleinplastiek. Veel Utrechters kennen het werk van Hekman want in de stad zijn veel van zijn beelden te vinden. Dat van zijn drie sensuele muzen –de dans, het blijspel en het treurspel -, glimmend onder plenzend water op het gras voor de Stadsschouwburg, is in de Domstad misschien wel zijn bekendste werk. Maar ook de bronzen hond Biru, een chow-chow, aan het eind van de Nieuwe Gracht bij de Servaasbrug of de uit zandsteen gehakte Pieter Jelles Troelstra aan de Boerhavelaan genieten bekendheid. Hekman heeft tijdens zijn lange loopbaan in het hele land opdrachten uitgevoerd. Zo ontstonden, onder andere, acht meer dan levensgrote figuren in steen voor een viaduct bij het Eindhovense NS-station (zes originelen zijn nu te zien in het Spoorwegmuseum) en, zijn magnum opus, een plein in de binnenstad van Enschede met vier beelden – man, vrouw, kind en hond – en een fontein. Dit plein, door Hekman zelf ontworpen en mede-aangelegd, is illustratief voor nogal wat van zijn openbare werk: de beelden zijn opgenomen in een architectonische context waarin water vaak een belangrijke rol speelt als vorm- en klankmiddel.

Hekman (1921) bezocht vanaf zijn veertiende jaar de avondschool in Utrecht, waar hij lessen volgde bij de schilder/graficus Willem van Leusden en bij zijn oom, de beeldhouwer Willem van Kuilenburg. Als Hekman wordt ‘ontdekt’ door de medailleur Johannes Cornelis Wienecke – die hem munten en penningen leerde maken, de eerste dateren van 1937 -, raadt deze hem aan naar de Academie Kunstoefening in Arnhem te gaan om zich als beeldhouwer verder te bekwamen bij Gijs Jacobs van den Hof. Veel van Hekmans generatiegenoten gingen naar de Amsterdamse Rijksakademie om daar onder de vermaarde Jan Bronner te studeren. Wienecke raadt dat Hekman af: Bronner zou zijn studenten teveel in een bepaalde richting duwen. Bovendien kon Hekman, zo wist Wienecke, bij Jacobs van den Hof vooral ook op technisch gebied veel opsteken. Hekman volgt deze raad op en studeerde van 1938-1942 in Arnhem. Hij leerde er hakken, gipsgieten, ciseleren enzovoort en legde er zo de basis voor een sterk ambachtelijk kunstenaarschap. Na de oorlog kreeg hij zijn eerste opdracht via Gerrit Rietveld. Vanaf dat moment ontstond zijn openbare oeuvre van beelden, beeldengroepen, beeldreliëfs in brons of steen, gebakken klei of hout en reliëfs en mozaïeken in keramiek en baksteen.

 

 

'Baadster', een brons van Joop Hekman uit 1963. 

Foto Ruben de Heer/Galerie Quintessens 

 

Gezien het feit dat Hekman gedurende zijn arbeidzame leven als beeldhouwer nooit zonder opdrachten heeft gezeten, is zijn vrije oeuvre relatief beperkt gebleven. In zijn openbare werk spelen dieren een groet rol. Zo maakte hij, behalve de eerder genoemde Biru , bijvoorbeeld een grote kraagbeer voor de Utrechtse basisschool De Panda aan de Peltlaan en ganzen bij een ‘waterwerk’ voor een instelling voor blinden en slechtzienden in Zeist. Maar ook in zijn kleinplastiek kregen dieren hun plek. Bij Galerie Quintessens is onder andere een kleine versie van de chow-chow Biru te zien, naast een haan, een aantal stieren ontstaan in de jaren ’50, een schets van een aandoenlijk onhandig opkrabbelend kalf, en een klein paardje dat Hekman tijdens zijn academietijd maakte. Van vóór die academietijd dateert een plaquette met het profiel van Hekmans moeder, waaraan duidelijk te zien valt hoezeer hij al op 17-jarige leeftijd het vak in de vingers begon te krijgen. Enkele vrouwenfiguren, zoals een naakte Eva uit 1957 en een staande zwangere vrouw uit hetzelfde jaar, worden aangevuld met een paar zeemeerminnen. Deze bijzondere fantasiewezens hebben Hekman blijkbaar geïntrigeerd. Het eerste, later verworpen, idee voor de fontein voor de Utrechtse Stadsschouwburg betrof een zeemeermin boven een grote schelp waar water uit moest komen, maar ook voor het waterleidingbedrijf Noordwest Brabant in Breda maakte hij ooit een ‘meer dan levensgrote’ zeemeermin. Op de tentoonstelling zijn, naast veel ander werk, ook enkele minder grote exemplaren van deze fabeldieren te zien.

 

 

Peter ter Veer.

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

00.31(0)6-51453501

info@galeriequintessens.nl