RONDOM COBRA

LOTTI VAN DER GAAG

(1923-1999)

beelden en tekeningen

 

JAN ROËDE

(1914-2007)

schilderijen

 

Expositie: 9 november t/m 17 december 2022

Beide Haagse kunstenaars hadden direct of indirect te maken, met de internationale avant-gardebeweging Cobra, opgericht in 1948 in het café Notre-Dame in Parijs. Alleen, de een mocht niet meedoen, de ander -eveneens destijds werkzaam in Parijs- wilde zich niet bij de groep aansluiten.

 

Beesten en fantomen

Lotti van der Gaag (1923-1999) woonde en werkte vanaf 1950 in het later beroemd geworden pakhuis in de Rue Santeuil, waar ook schrijver Simon Vinkenoog en Cobra-schilders Karel Appel en Corneille een atelier hadden. Zij werd in hun kring opgenomen, maar maakte geen deel uit van de  groep. Later zouden sommige leden uit de Cobra-(mannen)gemeenschap er waarde aan hechten om te benadrukken dat zij officieel geen deel uitmaakte van de groep, zij zouden zich later ook verzetten tegen deelname aan Cobra-presentaties van deze vrouwelijke pionier in de beeldhouwkunst. Haar werk was dan ook nauwelijks te zien op de grote Cobra-tentoonstellingen. Maar al was zij geen officieel lid, het authentiek oeuvre van deze vrouwelijke, naoorlogse pionier in de beeldhouwkunst kan in één adem worden genoemd met dat van de kunstenaars van de Cobra-beweging.

 


'Zittende', 1951, brons, hoogte 33 cm.

 

Tijdens de oorlog begon ‘Lotti’, zoals haar kunstenaarsnaam later luidde, met tekenen. Zij volgde daarna, tijdens haar relatie met de kunstenaar Bram Bogart, lessen aan de Koninklijke Academie in Den Haag,  en maakte van klei een groot aantal ‘fantasiewezens’: surreele mens-plant-dier-wezens  die later vreemde titels kregen als ‘rifdrift’ of ’Bliksemboom’. In 1948 koos zij definitief voor het kunstenaarschap. Nadat Lotti in het Stedelijk Museum de expositie ’13 beeldhouwers uit Parijs’ had gezien, besloot zij in 1950 naar Parijs te verhuizen. Van Zadkine, die zij bewonderde en bij wie zij lessen volgde, leerde zij de vormen ‘open te breken’. De vormen en vlakken van de nieuwe, opengewerkte beelden,  gemaakt van klei of gips (geld voor brons had zij zelden), hadden uitstulpsels in alle richtingen, gingen een spel aan in de ruimte. Op exposities o.a. in het Stedelijk Museum (vanaf 1952) combineerde zij de beelden die titels kregen als ‘Dreefdier’, ‘Rifdrift’ of ’Bliksemboom’ met robuuste krijttekeningen.  De twee- en driedimensionale fantasiewezens die haar atelier bevolkten zijn nauw verwant aan de kunst van Cobra, die zich oriënteerde op primitieve kunstvormen.

 


'De denker', 1951 (in 1991 geplaatst), brons, hoogte ca. 150 cm.

 

Rond 1960 legde Lotti zich steeds meer toe op schilderkunst. ‘Informele’ doeken in aardtinten maakten plaats voor overvolle, kleurige composities. Ook in de volgende decennia woonde Lotti afwisselend in Parijs en Den Haag. Zij kreeg verschillende opdrachten voor de openbare ruimte in Nederland. In 1991 werd de statige Utrechtse Maliebaan (waar een permanente beeldenroute met uitsluitend beelden van vrouwelijke kunstenaars is ingericht) verrijkt met een groot, grillig en kenmerkend  bronzen ‘fantasiewezen’ van haar  Dit beeld, getiteld ‘Denker’, werd door Lotti oorspronkelijk gemaakt in 1951. Sinds haar begintijd had zij niet te klagen over aandacht in de museumwereld. Willem Sandberg en Hans Jaffé (respectievelijk directeur en adjunct-directeur van het Stedelijk Museum) waren haar pleitbezorgers. Haar eerste solo-tentoonstelling in het Stedelijk  vond plaats in 1962, daarna volgde er een in het Haags Gemeentemuseum. In 2003 eerde het Cobra Museum in Amstelveen de kunstenares met een grote overzichtstentoonstelling en monografie.

Op de expositie ‘Festival der liefde’ in het Stedelijk Museum Schiedam zijn van 1 oktober 2022 tot 15 januari 2023 uitsluitend schilderijen en tekeningen van Lotti van der Gaag te zien, die vooral bekend werd als beeldhouwer. Veel werk op deze expositie is niet eerder getoond.


 

Altijd luchtig, soms vervreemdend

Bij Jan Roëde (1914-2007) stonden vrijheid en individualiteit hoog in het vaandel. Deze geboren Groninger, belandde in 1918 met zijn moeder in Den Haag waar zij werk vond. Hier zou hij de opleiding tot tekenleraar volgen. Daarna zou hij zich ontwikkelen tot reclame-ontwerper, illustrator en grafisch vormgever. In 1941 besloot hij om schilder te worden. Kort na de bevrijding kreeg hij de kans om mee te doen aan een groepstentoonstelling in de Haagse galerie Marinus Liernur. Zijn werk werd opgemerkt door collega Willy Boers. Het lukte hem om met een groep gelijkgestemden onder de titel ’12 Schilders’ in het Stedelijk Museum te exposeren.

 


Jan Roëde, voorjaar 1947, in galerie Buydens & Berthet, Parijs.

 

Hier werd zijn werk opgemerkt door museumdirecteur Willem Sandberg. In ruil voor een Van Gogh-tentoonstelling in Zweden, die was georganiseerd door Sandberg, kon een aantal Nederlandse kunstenaars daar een zomer werken. Roëde was een van hen. Sandberg had oog voor de schilderijen die hij in 1946 in Amsterdam had laten zien. Het waren fantasievolle, experimentele schilderijen, kunstwerken die voortkomen uit de verbeelding van de kunstenaar. Zij hebben de kenmerken van  spontane kindertekeningen, zonder zoals bij Cobra daarop geïnspireerd te zijn, en rekenden af met iedere vorm van traditionalisme.

 


'Kat onder tafel', ca. 1960, 46 54,5 cm., olieverf/papier. Foto Piet Gispen / Galerie Quintessens

 

In 1947 vertrok (toen nog) Jan  Roede naar Parijs, waar hij de kunstenaarsnaam ‘Roëde’ aannam. Dat was voor Fransen gemakkelijker uit te spreken. Zijn eerste expositie in Parijs was meteen een succes, hoewel nog op zoek was naar een eigen stijl. Hij was zeker niet de enige Nederlandse kunstenaar die Parijs zag als het centrum van de kunstwereld. Karel Appel kwam er in 1948 toen de internationale Cobra-beweging werd opgericht, maar vestigde zich pas in 1950 in de Franse hoofdstad. Hij was moe van het ‘gescheld’ in Nederland. Roëde werd later wel gevraagd om mee te doen met de groepstentoonstellingen van Cobra. Hij werd door sommige leden als geestverwant gezien, maar Roëde -sinds 1950 terug in Den Haag-  voelde meer voor het kunstleven in zijn woonplaats dan dat in de hoofdstad. Bovendien was hij geen groepsmens, en wars van dogma’s en manifesten. Liever liet hij zich leiden door het Zenboeddhisme.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw exposeerde Roëde niet minder dan negen keer zijn ‘naïeve’ schilderijen in de kunstzaal van café ‘De Posthoorn aan het Haagse Lange Voorhout. De composities die vlak zijn gehouden, worden bevolkt door emotieloze, vereenvoudigde mensfiguren, vreemde wezens die meestal frontaal worden afgebeeld. De verf is spaarzaam gebruikt. Er s sprake van een herkenbare stijl. Rond 1960 maakte hij enige tijd non-figuratief werk, schilderijen en tekeningen die soms aan Miro en Klee doen denken. Niet lang daarna keede hij weer terug naar zijn vertrouwde stijl en motieven, altijd luchtig soms vervreemdend. Alleen werden de vormen eenvoudiger en de kleuren steeds feller.

 In 1968 kreeg Jan Roëde zijn eerste overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Twintig jaar later volgde een tweede. Rudi Fuchs noteerde in 1988, een jaar nadat hij was benoemd tot directeur van het Haags Gemeentemuseum, in de tentoonstellingscatalogus: ‘Roëde gaat uit van kleurvlekken die steeds op hun plaats vallen in een verstilde en herkenbare voorstelling. Die wereld lijkt sterk tweedimensionaal, maar blijkt bij nadere beschouwing op een geraffineerde wijze ruimtelijk te werken.’

 

 

 

Contactgegevens

Nieuwegracht 53
3512 LE Utrecht

+31 (0) 651453501

info@galeriequintessens.nl

openingstijden: woe. t/m zat. 12-17 uur

Instagram Quintessens op Instagram